Freelance projectleider Tentoonstellingen
       
     
Sea of Tranquillity - Hans Op de Beeck
       
     
Bernhard Schobinger: the Rings of Saturn
       
     
Gejaagd door de Wind
       
     
van serene stilte tot post-mortemselfie
       
     
Daniel Kruger: sieraden en keramiek
       
     
Chance - Christian Boltanski
       
     
Centraal Museum
       
     
Amsterdam Museum
       
     
Freelance projectleider Tentoonstellingen
       
     
Freelance projectleider Tentoonstellingen

Met mij haal je een creatieve en uitgesproken persoonlijkheid in huis, die zorgt dat teams hoogwaardige tentoonstellingen realiseren. Kwaliteit, planning en budget hoeven nooit ter discussie te staan. Een ideale werk- en taakbalans binnen het projectteam is de eerste voorwaarde die ik schep.

Meer weten hoe ik als interim projectleider te werk ga?

(de rode cirkel is van Douglas Gordon)

Sea of Tranquillity - Hans Op de Beeck
       
     
Sea of Tranquillity - Hans Op de Beeck

Sea of Tranquillity is een totaalbeleving bestaande uit een fictiefilm zonder dialoog en een tentoonstelling met een oplichtende scheepsmaquette, levensechte sculpturen vitrines en meubilair. De installatie schept een duister en raadselachtig beeld van een mythisch cruiseschip. De film bestaat uit sfeervolle opnames met acteurs en honderden figuranten waarbij de kijker onderdeel wordt van een schip dat feitelijk (nog) niet bestaat. Zowel de film als de tentoonstelling tonen een toekomstvisie die bewondering en verafschuwing oproept.

Van 8 september t/m 9 juni 2019 is Sea of Tranquillity van Hans Op de Beeck te zien in Het Scheepvaartmuseum.

Bernhard Schobinger: the Rings of Saturn
       
     
Bernhard Schobinger: the Rings of Saturn

31 mei - 31 augustus 2015 in het Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch

Met zijn aandachtige blik heeft de Zwitserse kunstenaar Bernhard Schobinger mij de schoonheid van verval, imperfectie en mislukken laten zien. In zijn kunstwerken ontdek ik bezieling, kracht en kwetsbaarheid. Op zondag 14 juni gaf ik in het Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch een introductie op de tentoonstelling The Rings of Saturn.

Bernhard Schobinger (1946) vervult een sleutelrol in het avant-gardistische sieradenontwerp. Hij wordt internationaal erkend als provocerende, vernieuwende kunstenaar. Zijn vrijzinnige manier van werken boeit niet alleen het publiek en verzamelaars maar is ook een inspiratie voor andere sieraadmakers. Schobinger is al ruim veertig jaar actief als sieraadkunstenaar. Zijn werkwijze kenmerkt zich door de manier waarop hij naar materialen kijkt en ze gebruikt. 

Schobinger slentert door de tijd op zoek naar vorm, inhoud en betekenis. Hij schooiert met een trage snelheid (festina lente) door een (stads)landschap op zoek naar bruikbaar materiaal voor zijn sieraden. Als een hedendaagse alchemist combineert hij de afgedankte gebruiksvoorwerpen met parels, edelstenen, diamanten en goud. Elk materiaal behandelt hij gelijkwaardig en met evenveel aandacht. In zijn atelier werkt Schobinger aan verschillende stukken tegelijkertijd, soms voltooit hij een sieraad pas na meerdere jaren. Schobinger zegt zelf over zijn werkwijze: ‘Ik werk altijd met het echte materiaal zonder een proef te maken, ik neem graag het risico. Wanneer er iets onverwachts gebeurt, zie ik dit als een kans’. Ook socioloog Richard Sennett zegt dat ontdekkingen vaak ontstaan door ongelukken in het maakproces en niet in de ontwerpfase (De Ambachtsman, 2008).

 

“Ever tried. Ever failed. No matter. Try Again. Fail again. Fail better.”

— Samuel Beckett

Gejaagd door de Wind
       
     
Gejaagd door de Wind

Tentoonstelling over mode, vormgeving, fotografie & landschapskunst

Zuiderzeemuseum 2008/2009

Mode in Nederland
Artikel in opdracht van Dutch DFA (Design Fashion Architecture)

Nederland kent in vergelijking met Frankrijk, Italië en Engeland geen rijke modegeschiedenis. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog wordt de Franse mode op de voet gevolgd door Nederlandse couturiers. De laatste jaren krijgt de Nederlandse mode echter steeds meer een eigen gezicht. Het Nederlandse modetalent heeft een eigen stijl die ook wel bekend staat onder de naam ‘Dutch Modernism’.

Toen en nu
In Nederland worden rond 1900 de eerste warenhuizen geopend. Hirsch & Cie, Maison Künhne, Metz & Co en Gerzon zijn succesvolle modehuizen die de Franse stijl vertalen naar een betaalbaar Nederlands modebeeld. Later richten C&A en Peek & Kloppenburg zich op deze markt. Na de Tweede Wereldoorlog is Charles Montaigne de eerst Nederlandse couturier die zijn geluk zoekt in het buitenland. Ferry Offerman en Max Heymans onderscheiden zich met hun stijlvolle collecties. Constance Wibaut drukt haar stempel op de jaren vijftig met haar mode-illustraties.

Door de opkomst van de jongerencultuur is de mode vanaf de jaren zestig ook in Nederland niet langer een hiërarchisch systeem wat nagevolgd dient te worden. Frank Govers, Dick Holthaus, Puck en Hans, Jan Jansen, Marielle Bolier en Frans Molenaar plukken hier de vruchten van. Met de komst van het tijdschrift Avenue in 1965 toont Nederland zich een modebewust land met internationale allure.

Het vak prognosestyling wordt eind jaren zeventig geïntroduceerd om de mode van de straat te signaleren. De naam Lidewij Edelkoort is sindsdien onlosmakelijk verbonden met het trendwatchen. De jaren tachtig kenmerken zich internationaal door een explosie aan creativiteit en ook in Nederland ontstaan diverse modetrends naast elkaar. Om het als jong talent te rooien biedt het Fonds voor BeeldendeKunst, Vormgeving en Bouwkunst (Fonds BKVB) uitkomst. Ook wordt in de jaren tachtig de confectie-industrie uitgebreid met onder andere Mac & Maggie, Mexx, Soapstudio, Turnover en de Gill-groep.

Aan de Academie voor Beeldende Kunst en Vormgeving in Arnhem worden de modestudenten al sinds 1953 door Elly Lamaker gestimuleerd om te werken vanuit het ontwerp. Deze aanpak levert een kenmerkende, abstracte mode op. Bij de kleding die oud-student Alexander van Slobbe rond 1990 presenteert onder de naam Orson + Bodil gaat het om kleding met een persoonlijke uitstraling en een zuivere vorm. Onder de naam ‘Le Cri Neérlandais’ presenteert de lichting van 1993 zich in Parijs. Lucas Ossendrijver, Parscale Gatzen, Marcel Verheijen, Saskia van Drimmelen, Viktor Horsting en Rolf Snoeren vertegenwoordigen deze beweging en genereren hiermee een nieuwe naam voor de Nederlandse stijl: ‘Dutch Modernism’. In de jaren negentig is het Nederlandse modetijdschrift Dutch een internationaal succes en ook het werk van fotografen Viviane Sassen, Van Lamsweerde/Matadin en Blommers/Schumm is een hit. Marlies Dekkers ontwerpt lingerie uitgaande van een lijnenspel op het lichaam. Gsus vertaalt straatstijlen naar een actueel modebeeld.

Het Fashion Institute Arnhem levert nog steeds elk jaar nieuw modetalent: Klavers en Van Engelen, Francisco van Benthum, Monique van Heist, Bas Kosters en Jan Taminiau bepalen momenteel voor een groot deel de internationale reputatie van het modeontwerp uit Nederland. Veel Nederlandse ontwerpers zijn werkzaam achter de schermen bij succesvolle buitenlandse modehuizen.

Streekdracht in de mode
Aandacht voor lokaal vakmanschap en handwerktechnieken is de laatste jaren in zwang, maar ook in het verleden stonden ambacht en traditie al hoog in het vaandel. Aan het einde van de achttiende eeuw raakten exotische invloeden verweven in de internationale mode en al gauw is Indiase sits een veel voorkomende stof. Wanneer sits aan het begin van de negentiende eeuw verdwijnt uit het modebeeld blijft de stof een geliefd materiaal voor klederdrachten inNederland, zoals in Hindeloopen en de dorpen langs de Zuiderzee. Een eeuw later past het Nederlandse kinderkledingmerk Oilily Indiase decoratiepatronen toe in haar ontwerpen en laat zich inspireren door de streekdracht van Marken en Volendam. Ook bij couturier Frank Govers is de invloed van de klederdracht te zien in zijn collecties van de jaren zeventig en tachtig.

Viktor & Rolf hebben zich voor de herfst/winter 2007/2008 collectie ‘Fashion Show’ laten inspireren door de Nederlandse volksdracht. Naast de streekdrachtgrijpt de Nederlandse mode ook terug naar Modernistische kunstenaars als Piet Mondriaan en Gerrit Rietveld. Hun heldere vormentaal sluit aan bij de hedendaagse opvattingen van de Nederlandse mode. Een voorbeeld is de ‘Gone with the Wind’-collectie van Spijkers & Spijkers. In deze collectie laten zij door middel van heldere kleuren en harde lijnen de minimalistische wortels zien van de Nederlandse vormgevingstraditie, terwijl het mixen van diverse materialen en dessins is te herleiden tot de Nederlandse streekdracht uit Marken.

Annelies Sinke 2009

van serene stilte tot post-mortemselfie
       
     
van serene stilte tot post-mortemselfie

Master kunst-cultuurwetenschappen scriptie

Het verbeelden van de dode ontsluiert en verhult tegelijkertijd het mysterie rondom het doodgaan. Een post-mortemfoto is een (waarheidsgetrouwe) weergave van een overledene. Hij wordt gemaakt vlak nadat de dood is ingetreden. Op dat moment is er de meeste gelijkenis met de levende mens. In de meeste gevallen is zo’n foto een privéaangelegenheid en vanwege dat private worden post-mortemportretten doorgaans aan ons oog onttrokken. Maar dat betekent niet dat ze zeldzaam zijn of niet bestaan

symbool, ritueel en memento mori

Om de post-mortemfotografie te contextualiseren maak ik gebruik van de begrippen rituelen, memento mori en symboliek. In het doodsportret kan symboliek een belangrijk middel zijn om een boodschap over te brengen. Feitelijk is een symbool een zinnebeeld. Een teken met een hogere, grotere of geestelijke betekenis. De betekenis is versluierd aanwezig, en komt ‘pas’ tevoorschijn bij rituelen. Zo heeft een symbool tegelijkertijd betrekking op de tastbare, vaak emotionele werkelijkheid en op het abstracte, het overstijgende en ongrijpbare. Universele symbolen zoals natuurverschijnselen water en vuur of de reiniging van het lichaam met al dan niet heilig water laten bij uitstek de vergankelijkheid van de mens zien. Symbolen die betrekking hebben op de dood zijn: het kruis, doodshoofd, skelet, engeltjes en bepaalde flora en fauna. Dergelijke symbolen komen regelmatig voor op een post-mortemfoto.

In de funeraire cultuur is de overgang van leven naar dood een voorbeeld van een rites de passage (overgangsritueel). In de eerste (preliminele) fase gaat de persoon dood en wordt afgezonderd van de groep, de overlevenden of nabestaanden. De overgang zelf – de dood – wordt gekenmerkt door handelingen die het verdriet over de persoon op het transitiemoment compenseren, zoals een post-mortemfoto die gemaakt wordt van de laatste fase van een mensenleven (de liminele fase). En tot slot krijgt de persoon een andere status binnen de groep, namelijk als overledene. Deze laatste (postliminele) fase van het ritueel wordt gekenmerkt door nieuwe kleding of door middel van een inwijding in een speciale kring, bijvoorbeeld het hiernamaals. Een rite de passage kan bij het doodgaan de status van een getrouwde vrouw veranderen in een weduwe of zorgt ervoor dat het oeuvre van een beroemd kunstenaar een eigen leven gaat leiden. Hedendaagsopvattingen van rituelen tonen aan dat ze niet per se verbonden hoeft te zijn met religie. Ritueel gedrag manifesteert zich volgens bioloog Bronna Romanoff niet alleen in religieuze context, maar wordt ook op alle vlakken van het leven gebruikt om verandering te markeren. ‘Het biedt orde en stabiliteit, vooral in tijden van chaos en wanorde.’ Recent definieerden onderzoekers Michael Norton en Francesca Gino van de Harvard Business School een ritueel als ‘een symbolische activiteit die voor, tijdens of na een betekenisvolle gebeurtenis wordt uitgevoerd om een gewenst resultaat te verkrijgen, dit loopt uiteen van het verlichten van verdriet tot het uitvoeren van een regendans om een wedstrijd te beïnvloeden’. Hun onderzoek toont aan dat bij afwezigheid van religieuze voorschriften mensen zelf een ritueel samenstellen dat ook voldoet aan ‘het beoefenen van symbolisch gedrag om het gewenste effect te bereiken’. Mijn werkdefinitie van ritueel is een betekenisvolle handeling die gebaseerd is op herhaling en bestaat vanwege zijn ouderdom en de wording tot traditie.

Een post-mortemfoto is in de meeste gevallen een tastbare herinnering aan een dierbare, maar het is ook een memento mori.[1] Schrijfster en essayist Susan Sontag ging echter nog een stap verder en stelde dat fotografie van nature een verbondenheid met de dood heeft: ‘Alle foto’s zijn een memento mori’. De symboliek en de toekenning van emotionele waarde liggen volgens haar besloten in de foto’s zelf. Die weerspiegelen de werkelijkheid en verhullen een mogelijkheid waarop wij omgaan met (het taboe rond) de dood. Ook de Franse filosoof Roland Barthes beschreef de vanzelfsprekende relatie tussen fotografie en de dood en stelde dat in elke foto de ‘terugkeer van de dood’ aanwezig is. Die terugkeer van de dood interpreteer ik als volgt; elke foto kan de laatste zijn en door het maken van een foto wordt de mens ook bewust van zijn sterfelijkheid. Een post-mortemfoto kan de vergankelijkheid van de mens laten zien, omdat het zowel de laatste foto is als een weergave van de eindfase van het (wereldlijke) leven. Deze ‘laatste foto’ is daarom uniek te noemen. Vanwege de bijzonderheid van het laatste moment bestaat de mogelijkheid dat de post-mortemfoto zowel als tastbaar herinneringsobject van een doods- of afscheidsritueel als een rite de passage kan fungeren. Barthes hanteert het begrip ‘fotografisch ritueel’, waarbij de geportretteerde het ‘zelf’ volgens een bepaald sociaal ritueel laat vastleggen door bewust een pose aan te nemen om het zelf voortdurend te construeren en bij te stellen naar de ware leeftijd. Toegespitst op post-mortemfotografie kan dit betekenen dat de omstanders het gedroomde, idealistische, perfecte maar toch echt overleden zelf ‘maken’, ter herinnering aan dat voorbije mensenleven door de laatste foto dusdanig te manipuleren dat deze aansluit bij het reeds bestaande zelf op levende foto’s. Zoals te zien is op de foto van een vrouw bij een tuinhek circa 1890. Dit gedroomde, idealistische, perfecte zelfbeeld is een veelvoorkomend onderwerp om op de laatste foto vast te leggen. Met de laatste foto is het mogelijk het mensenleven op elke gewilde manier te bezegelen met een geënsceneerde foto en indirect te wijzen op de eigen sterfelijkheid. 

In de negentiende eeuw – met de opkomst van een sociale middenklasse –  heeft een portret meerdere betekenissen: is het dé manier om de nieuwe sociale status te bevestigen. Tevens gingen overheden het portret zien als de officiële manier voor individuen om zich te identificeren - denk aan de verschillende identiteitsbewijzen. Een andere eigenschap van het portret maakte het mogelijk – met een accurate sluitertijd – het ‘juiste moment’ te vereeuwigen of een stilleven te creëren. In de woorden van fotograaf Henri Cartier-Bresson: ‘Van alle expressiemiddelen is fotografie de enige die het nauwkeurige moment voor altijd vastlegt. Wij fotografen gaan om met dingen die continu verdwijnen, en wanneer zij verdwenen zijn, is er geen uitvinding te bedenken die ze herroepen kan.’ Daarnaast kan volgens hoogleraar historische en hedendaagse fotografie Geoffrey Batchen een portret de persoon verankeren in de tijd, historische netwerken of relaties: ‘We omgeven ons met herinneringsobjecten, zoals fotografie in het bijzonder, om een gevoel van eigenwaarde of identiteit hiermee te ondersteunen. Het portret heeft verschillende toepassingen: als statusbevestiging, identificatiemiddel, persoonlijkheidsweergave en als object van herinnering. Met name deze laatste betekenis is in dit onderzoek van belang.

[1] Memento mori is een weerspiegeling van de menselijke sterfelijkheid

Daniel Kruger: sieraden en keramiek
       
     
Daniel Kruger: sieraden en keramiek

Van 17 oktober 2015 t/m 24 januari 2016 in het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch

Als curator van de tentoonstelling Daniel Kruger: Sieraden en Keramiek 1974 - 2014 heb ik kennis gemaakt met zijn objecten. De keramiek en sieraden van Daniel Kruger (Kaapstad, 1951) kenmerken zich door eigenzinnig kleurgebruik, decoratieve vormen en historische verwijzingen. Als een kameleon gaat hij te werk en combineert organische en geometrische vormen, harde en zachte materialen, en licht en kleur. De materialen die Kruger gebruikt, haalt hij zowel uit de natuur, uit het dagelijks leven, als uit de geschiedenis.

De sporen die de tijd nalaat inspireren Kruger verhalen te vertellen en toespelingen te doen op de hedendaagse maatschappij. Invloeden uit zowel de Europese en Afrikaanse cultuur zijn zichtbaar in veel van zijn sieraden en keramiek

Chance - Christian Boltanski
       
     
Chance - Christian Boltanski

De tentoonstelling Chance toont een installatie met jong geborenen. Het lijkt wel een kinder-maak-machine. Opeens klinkt er een bel, de lange rij foto's komt tot stilstand en stopt bij een van de baby's. Dit kind is verkozen door het lot. In voor en tegenspoed. De installatie laat zien dat het leven een onbeschreven blad is, de opdruk bepaal je zelf door het leven kleur te geven.

Het was een eer om met deze Franse kunstenaar te werken, hij heeft me laten zien dat wij als mensen onderdeel zijn van een groter geheel en het is onze plicht deze taak serieus te nemen, want voor je het weet is het voorbij. Leef nu!

Als projectleider heb ik deze tentoonstelling begeleid.

Nederlands Fotomuseum januari 2011

Centraal Museum
       
     
Centraal Museum

Mijn eerste tentoonstelling als curator! Parfum | "de verleiding" in het Centraal museum in 2009.
Niets kan een herinnering beter oproepen, een sfeer of stemming bepalen dan een geur. Het madeleine koekje bracht de schrijver Marcel Proust vanzelf terug naar zijn vroegste jeugdherinneringen. En een verliefdheid kan op slag verdwijnen als iemand niet lekker ruikt. Hoe groot de aantrekkingskracht van geur is weten we al eeuwen. In de twintigste eeuw ontdekken de modehuizen dat niet alleen kleren een vrouw onweerstaanbaar kunnen maken, maar ook een bijpassende geur. In negen vitrines, een kleine geschiedenis van het parfum

Amsterdam Museum
       
     
Amsterdam Museum

Een passie voor waaiers is een tentoonstelling die pleit voor een herwaardering van de waaier. In het overzicht van de verzameling van mejuffrouw Van Eegen (1913-1996) spreekt de waaiertaal zich uit. De sociale conventies van de 18e en 19e eeuw zijn het communiceren over liefde en verdriet via de waaier. Is de waaier de voorloper van de sociale media, wat immers het grensvlak tussen privé en publiek uitdaagt. Als  assistent mode-conservator heb ik met veel passie gewerkt aan het onderzoek naar de waaiercollectie